Oorzaak: genetisch

Het Syndroom van Alagille ontstaat door een genetische fout en heeft een “autosomaal dominante overerving”. Hieronder volgt een samenvatting wat deze woorden betekenen.

In elke celkern in ons lichaam hebben we 23 verschillende chromosomen, van elke soort hebben we er 2 (totaal dus 46). Op elke chromosoom ligt de informatie (DNA) voor een aantal erfelijke eigenschappen. 22 chromosomen komen dubbel voor. Daarnaast heeft elk mens 2 geslachtsbepalende chromosomen; die worden het X- en het Y-chromosoom genoemd. Een meisje heeft 2 X-chromosomen. Een jongen een X- en een Y-chromosoom.

Bij Alagille ligt de genetische fout niet op het X- of Y-chromosoom. Dit betekent dat zowel meisjes als jongens Alagille kunnen hebben. Omdat de genetische fout op een niet-geslachtsbepalend chromosoom voorkomt, noemt men dit autosomaal.

Een gen kan dominant of recessief zijn. Omdat elke chromosoom in elke mensencel 2x voorkomt, heb je 2 genen die invloed kunnen uitoefenen op een bepaalde eigenschap.
De informatie van een recessief gen kan alleen tot uiting komen, wanneer er geen dominant gen is. Kort door de bocht gezegd; van recessieve genen moeten er dus altijd twee aanwezig zijn alvorens het effect ervan zichtbaar wordt.
Het gen wat bij het Syndroom van Alagille de aandoening veroorzaakt is dominant. Dit betekent dat als er 1 foutief gen is en 1 goede, dit goede gen wordt onderdrukt en het foute dominante gen tot uiting komt.

Animatie over overerving en dragerschap: http://www.erfelijkheid.nl/overerving.php

Het kan zijn dat de vader of moeder dit dominante gen bij zich draagt. Zo iemand noemen we dan ‘drager’ van de ziekte. Als één ouder drager is van het gen en één ouder niet, dan heeft een kindje van deze ouders 50% kans om Alagille te erven.

In ongeveer 40% van de nieuwe gevallen van het Sydroom van Alagille is 1 van de ouders drager. De vader of moeder kan zelf ook Alagille-verschijnselen hebben, maar soms is het Syndroom van Alagille zo licht aanwezig in een persoon, dat dit pas wordt ontdekt wanneer er kinderen geboren worden.

Fouten in genen kunnen ook spontaan ontstaan. Dit heet ‘spontane mutatie’. Hieraan is niets te doen, het is domme pech. In de meeste (60%) van de nieuwe gevallen van het Syndroom van Alagille komt dit door deze spontane mutatie.

Na onderzoek is men erachter dat de meeste (70%) van de totale gevallen de genetische fout voorkomt in chromosoom nummer 20, in gen JAG1. Dit gen codeert voor een eiwit, Jagged 1, dat op de celmembraan van sommige cellen wordt gevonden en dat een functie heeft bij signaaluitwisselingen tussen cellen, zowel tijdens de embryonale ontwikkeling, als daarna.

Hierdoor kunnen verschillende organen van het kindje met fouten ontwikkelt worden. De symptomen variëren van persoon tot persoon. Zelfs als binnen 1 familie meerdere personen met Alagille voorkomen, kan de ernstigheid van de openbaring van het syndroom per persoon enorm verschillen.

In de meer ernstige gevallen van patiënten met het Syndroom van Alagille heeft men ontdekt dat het hele JAG1 gen mist. In 1% van de gevallen ligt de mutaties op het NOTCH2 gen.

Er is een kans van 1 op 100.000 dat een pasgeborene het Syndroom van Alagille heeft. Dit maakt het tot een zeldzame aandoening.